Dom (4545m), augustus 1998 :

De Dom is de hoogste berg die volledig op Zwitsers grondgebied ligt. Maar dat deze berg echt hoger is dan al de anderen; dat merkte ik niet echt. Op elke berg voel je je immers hoog boven de wereld staan en heb je een wondermooi uitzicht.

Het meest uitputtende deel van een beklimming vind ik meestal de weg naar de hut. Die is in veel gevallen langer en overwint meer hoogteverschil dan de klim naar de top zelf. En de rugzak weegt het zwaarst als men naar de hut gaat; want éénmaal men de beklimming van de top zelf begint, heeft men al zijn kledij en materiaal aan. Ook het feit dat men meestal maar ‘s namiddags naar de hut optrekt speelt een rol. Dan is het veelal zeer warm door de bakkende zon. En dan nog met een rugzak van zo’n 14 à 15 kg een hoogteverschil van gemiddeld 1400m overwinnen, maakt een klimmer zeer vermoeid.
 

Zo ook toen ik vanuit Randa naar de Domhut vertrok. 1600 hoogtemeters lagen voor mij, waarbij ik ook nog eens geconfronteerd werd met een temperatuur van om en bij de 30°C in de vallei!

Een 200 tal meters boven de hut installeerde ik mij voor een bivak; alsook een 50-tal anderen die hier in de buurt hun tent opsloegen of ook in de slaapzak overnachten. Het was immers week-end en dan komt er al gauw veel volk naar de bergen om een beklimming te wagen. Dan zitten alle berghutten overvol.
 
 
 
 
 
 

Foto : De Domhut.

Om 4 uur ‘s morgens vertrok ik. Eerst over morenen en dan door een ingewikkeld gletscher-labyrint. Erboven waar de gletscher vlakker werd, volgde ik andere cordées. Achter mij kwamen er ook nog een paar. Maar de echt grote massa was nog ver achter.
We trokken allen verder over de linkeroever van de Festigletscher, om dan op het bovenste gedeelte naar de rechteroever te traverseren. Daar bleek op het eerste zicht dat we hopeloos fout zaten.
Beneden in de diepte kwam de grote massa langs de rechteroever naar boven. We realiseerden ons dat we dus fout zaten en zochten tevergeefs naar de toegang die leidde naar het Festijoch. Iedereen bleef ter plaatse maar wat rondtrappelen en sommigen haalden de kaart boven. Het was nog steeds pikdonker.
Ikzelf begon terug aan de afdaling van de gletscher, maar ditmaal aan de rechteroever. En ja, niet veel later zag ik met het vage schijnsel van mijn koplamp rechts in de rotsen een vast touw hangen. Dit moest de passage naar het ‘joch’ zijn. In de donkere nacht is dat allemaal niet zo vanzelfsprekend. Ook de massa lichtjes kwam nu deze kant op.

Na een klein kwartier stond ik inderdaad op het Festijoch en lag de Festigraat voor mijn voeten. De verdere weg naar de top. De sneeuw langs deze brede graat was zeer hard, bijna ijs, zodat ik besloot om mij verder langs de rotsen voort te bewegen op de graat. Veel hoger was ik dan toch verplicht om over te gaan op de sneeuw. Die bleek hier juist zeer steil en hard te zijn. De piolet had weinig houvast in dit brokkelige ijs. Ik moest 4 à 5 maal kloppen om toch met de punt van de ijshouweel enige houvast te krijgen. In dit gedeelte waren reeds verscheidene dodelijke ongelukken gebeurd.

Na deze steile flank werd het terrein minder steil en ging het zonder problemen verder tot de top. Nog een paar touwgroepen opteerden, achter mij in de diepte, ook voor de Festigraat en sommigen zaten daar effectief uren op te knoeien.

Ik daalde later af door de majestueuze N-flank. Hier kruiste ik wel honderd man die op hun beurt zich nog een weg naar de top baanden. Sommigen hadden nog een lange weg voor de boeg, daar deze route door de N-flank langer en monotoner is als de graat. En ja, er waren weer verscheidene (toerist-) alpinisten bij die voor de middag nog niet op de top zouden zijn. En velen werden getroffen door de hoogteziekte, zodat ze genoodzaakt werden ergens in het midden van de flank op te geven. Ik vond het wel een ironisch schouwspel als ik daar in bijna-looppas omlaag voorbij ging. Op hun verbijsterde gezichten zag ik dat ze hoopten, dat zij het waren die hier reeds omlaag kwamen. Maar in plaats daarvan hadden ze nog een lange lijdensweg voor de boeg, in de zon die zich nu hoog aan de hemel vestigde.

Eenmaal terug aan de gletscher kwam ik een 'verloren' Engelsman tegen. Hij zat daar in het midden van de gletscher op een rotsblok. Hij durfde niet meer verder en hij wist ook niet goed hoe terug te gaan. De gletscher is hier behoorlijk open en overal loeren diepe gletscherslpeten op een slachtoffer. Hij was zeer blij toen ik voorstelde dat hij met mij mee kon afdalen naar de hut.
 

Foto : De majestueuze Dom met zijn besneeuwde N-flank waar de normaalroute doorloopt. Rechts van de top gaat de Festigraat omlaag, alwaar ik omhoog geklommen ben.
Later, op de verdere afdaling naar het dal kwam ik de nieuwe lading alpinisten tegen die naar de hut gingen. En ze zagen af in de verzengende zon met hun zware rugzakken!

Ikzelf was blij dat het allemaal achter mij lag en kwam met een grijns van geluk op mijn gezicht terug beneden in het dal.
Op mijn terugweg met de wagen pikte ik nog een liftende Zwitser op die ik iets later terug afzette in een lager gelegen dorp. Hij was een mineralenzoeker en boswachter, zo bleek. Om mij te bedanken voor de lift gaf hij mij in het dorp enkele stenen bergkristal mee. Een mooi aandenken!!!!